Al lang verkeert het vakantietoerisme in de greep van het economisch denken en sociologisch onderzoek. Op deze website wordt een gebalanceerder inzicht aangehouden: de toeristen zelf en hun ontmoeting met hun vakantiebestemming. De toeristen nemen wat hen aangereikt wordt en gebruiken dit voor hun eigen doeleinden; het zijn deze doeleinden die ons het meest interesseren en meer dan 25 artikelen op deze website gaan daar nu juist over: het toerisme van de toeristen.

Onder het hoofdje "Toerisme" is een nieuw artikel van mij toegevoegd over Klimaatsverandering (Juli 2020).

In februari 2020 heb ik een nieuw artikel toegevoegd in de rubriek "Toerisme" getiteld "Fenomenologie en het Toerisme".

Fenomenologie en het Toerisme

Alle rechten voorbehouden. De gehele of gedeeltelijke reproductie is verboden zonder de toestemming van Marinus C. Gisolf en zonder bronvermelding

Fenomenen, Ervaringen en Ik: een introductie tot de fenomenologie en het toerisme.

Dit artikel gaat over de fenomenologie en heeft als doel de term enigszins te ontrafelen. Daarbij wordt tegelijkertijd het belang aan gegeven van het openstellen van de geest voor de subjectieve ervaring als bron van kennis van de werkelijkheid zoals ieder persoon die beleeft. Daarom is de beschrijving van fenomenologie iets persoonlijks en dat kan ook niet anders, want de eigen beleving van welk voorval of fenomeen dan ook concentreert zich op het proces van beleving en bewustwording. Aan het einde van dit artikel wordt de toepasbaarheid op het toerisme getoetst. Dit artikel is vooral van educatieve aard en is geschreven voor studenten van sociale wetenschappen in het algemeen en door het algemene karakter ervan worden er in de tekst geen directe verwijzingen naar betrokken literatuur gegeven.

Inleiding

Het moet duidelijk zijn, dat ieder persoon iets beleeft volgens al zijn of haar ervaringen die inmiddels in het geheugen opgeslagen zijn en gebaseerd zijn op begrippen, beelden, vooroordelen en eerder opgedane impressies. Het toepassen van onze eigen criteria op welke vorm van evaluatie dan ook van externe fenomenen en het tillen van deze criteria naar een interrelationeel niveau betekent een inhoudelijk rijke en ruime interpretatie van de werkelijkheid zoals wij die van binnenuit beleven. We moeten ons realiseren, dat wat er in onze omgeving plaatsvindt, een mogelijke informatiebron kan betekenen. Het hangt er helemaal vanaf, of wij een bijzondere reden hebben om een specifieke daad of voorval uit zijn verband te lichten en opzichzelf te presenteren. Dit betekent ook, dat om als zodanig onderkend te worden de informatie voor een bepaald persoon een zekere interesse hebben moet.

Ons eigen bestaan belichaamt een bepaalde voorstelling en interpretatie van de beleefde wereld en ons contact met dingen wordt telkens weer bemiddeld door onze vooroordelen en verwachtingen, waarbij taal een overheersende rol speelt. Welk antwoord dan ook op een vraag over de werkelijkheid stuit direct op manipuleringen, want er bestaat altijd weer een bevooroordeeld begrip aangaande alles wat wij denken. Men begrijpt door middel van de vergelijking van wat men wil begrijpen met wat men al weet. Begrijpen is een cirkelvormige activiteit en bevindt zich in een interpretatieve cirkel. Een zin bijvoorbeeld is een begripseenheid. De individuele woorden worden uitgelegd op basis van de betekenis van de hele zin, terwijl de betekenis van die zin weer afhangt van de uitleg van de individuele woorden. Een concept krijgt zijn betekenis vanuit de context waarin het zich bevindt, maar deze context wordt gevormd door elementen die er betekenis aangeven, waarmee de cirkel rond komt. Op deze manier schiet de logica, die normaal gesproken rechtlijnig is, doorgaans tekort.

Bovendien hebben dingen geen betekenis op zichzelf, want voor iemand die zich als groenteboer projecteert, als sporter of als wetenschapper bijvoorbeeld, kan hetzelfde ding heel iets anders betekenen. Elke persoonlijke projectie bepaalt hoe wij een ding beleven. De groenteboer ziet een vrucht vanuit een commerciëel standpunt, wat anders is dan de gezichtshoek van een bioloog of van iemand die honger heeft. Met andere woorden is deze vrucht niet zomaar een neutraal gegeven dat zijn bestaansrecht ontleend buiten onze waarneming om, maar wordt bepaald door de intentie die iedere waarnemer eraan geeft en zijn waardering. Een andere manier om dit zelfde idee uit te drukken is om onderscheid te maken tussen verschillende structuren van een ding: er bestaat de steeds veranderende verschijning van het ding dat afhangt van onze intentie en de plaats waar het zich bevindt en wat wij de eerste structuur van een ding noemen; daarnaast zijn er de fysieke karakteristieken die een ding door de tijd heen behoudt en in de fenomenologie de tweede structuur genoemd wordt. Volgens de denktrant van Descartes zijn de twee structuren net andersom – de wiskundig/fysisch bepaalde eerst, een denkwijze die nog steeds in grote delen van de wereld overheerst.

De fenomenologie is vooral op de eerste strcutuur gericht en maakt gebruik, juist daardoor, van omschrijvingen van een atmosfeer, een omgeving en wat Husserl noemt de categorale waarneming, die weer betrokken kan worden bij poëtische en kunstuitingen in het algemeen. Daarom voelen de “fenomenologen” zich vaak als tegengestelden tot de exacte wetenschappen, die uitsluitend de tweede structuur van de dingen bestuderen. Als gevolg kunnen wij ook onze perceptie van fenomenen vanuit een andere hoek belichten: binnen de fenomenologie wordt er aangenomen dat iedereen weer een ander wereldbeeld hanteert, wat ook op individuele fenomenen betrekking heeft. De stoel die voor u staat ziet er anders uit voor iedere persoon die hem waarneemt, maar volgens de Cartesiaanse (van Descartes) inzichten zou iedereen dezelfde stoel zien. Onze ervaring is inhoudelijk veel rijker dan alleen maar wat door de zintuigen waargenomen wordt en binnen de fenomenologische traditie wordt gelet op de betekenis van dingen, voorvallen, de voortgang van de tijd, het zichzelf-zijn tegenover de ander, precies zo als dit voorkomt in onze wereldbeleving.

Er kan aan toegevoegd worden dat de scheiding tussen de kennis van onze waarneming van een ding en de kennis van het ding zelf een fundamenteel thema vormt van de Griekse filosoof Plato. In zijn Therorie van de Vormen heeft de intellectuele werkelijkheid de karakteristiek om onstoffelijk en eeuwig te zijn, is daardoor niet aan veranderingen onderhevig en vormt het archetype van die andere werkelijkheid, die tastbaar is en die vooral bestaat uit wat wij “dingen” noemen, met materiële karateristieken die kunnen veranderen en tenslotte niets anders zijn dan copiën van de intellectuele werkelijkheid.

De fenomenologie van Husserl

De fenomenologie is gebaseerd op een filosofische beweging van eerst A. Brentano (1838-1917) en daarna van E. Husserl (1859-1938) aan het einde van de 19e eeuw. De fenomenologie zoals die door hen ontwikkeld is, had als oogmerk de overheersende positivistische paradigma’s te vervangen door de notie, dat de eigen waarneming een betrouwbare bron voor kennisproductie kan opleveren. Dit kan geïnterpreteerd worden als een verlenging van de ideeën van Immanuel Kant (1724-1804). Kant beweerde, dat de Noumena, die in zichzelf onbekende dingen zijn, onderscheiden moeten worden van de Fenomena, die de wereld reflecteren zoals die aan ons brein verschijnt. Kant hield vol, dat wat in de brein waargenomen wordt de werkelijkheid is en dat geen object op zichzelf kenbaar is anders dan door de interventie van de subjectiviteit van degene die het observeert.

Een volledige definitie van wat fenomenologie is zou tegenstrijdig zijn, ten eerste om de afwezighheid van een centraal thema en verder, omdat de fenomenologie geen doctrine is en nog minder een filosofische school. Het is eerder een stijl van denken en een methode die openstaat voor ervaringen die elke weer anders zijn met veranderende resultaten, wat op zichzelf iedereen die het begrip probeert de definiëren direct in verwarring kan brengen. De fenomenologie als een filosofisch onderzoeksterrein kan onderscheiden worden van andere gebieden, zoals de ontologie (de studie van wat is of van het bestaan), de epistemologie (de studie van kennis), de logica (de studie van geldige beredeneringen), de etica (de studie van wat goed is en wat kwaad) onder andere.

De fenomenologie volgens Husserl betreft de systematische reflectie en studie van de structuren van het bewustzijn en van de fenomenen zoals die zich voordoen in de activiteit van het bewuste. Letterlijk worden de fenomenen bestudeerd: verschijningen van dingen, of dingen zoals die in onze ervaring verschijnen, of de vormen waarin wij de dingen ervaren, dat wil zeggen de betekenis die de dingen in onze ervaring hebben. De fenomenologie kan duidelijk afgezet worden tegenover de Cartesiaanse methode die de wereld ziet als objecten, groepen objecten en objecten die op elkaar inspelen. De fenomenologie is de studie van de structuren van het bewustzijn, ervaren vanuit het standpunt van de eerste persoon, het “ik”. De fenomenologie bestudeert de structuur van een breed scala aan ervaringen, zoals de perceptie, het denken, het geheugen, de verbeelding, de emotie, de wens en de wilskracht, en zelfs het lichamelijk bewustzijn, zoals de fysieke actie, sociale activiteiten en het gebruik van de taal. De structuur van deze vormen van ervarren houdt hierbij wat Husserl noemt de bedoeling in, dat wil zeggen de richting van de ervaring naar de dingen toe en het bewustzijn van of over iets. Een ervaring is altijd gericht op een object op basis van de inhoud of betekenis ervan en van wat het ding vertegenwoordigt, ook historisch gezien.

Volgens Descartes (17e eeuw) en later het positivisme en andere scholen, heeft de mens een lichaam en een ziel, waarbij deze laatste betrekking heeft op de faculteit van de reden. De mens bestaat omdat hij denkt – een activiteit van de ziel waar de redenering ook onder valt, terwijl de mens ook zekere fysieke afmetingen en vormen heeft en dus wiskundig bepaald is. Er wordt een duidelijke scheiding aangebracht tussen de persoon (lichaam en ziel) en de wereld. Echter in de fenomenologie wordt deze scheiding ontkend, noch wordt geaccepeteerd, dat de dingen hun betekenis allereerst aan maat en getal ontlenen. De ontkenning van de scheiding van subject en object werd oorspronkelijke door Brentano en zijn leerling Husserl geïntroduceerd, terwijl zij ook het begrip van de intentionaliteit toepasten: psychische fenomenen bezitten een richting naar iets toe, terwijl de fysische objecten dat niet hebben. Het bewustzijn rust niet zoals Descartes zegt binnen de persoon, maar behoudt een voortdurende activiteit van het ‘ik’ door een intentionaliteit naar de dingen toe.

De fenomenologie volgens Husserl is de wetenschap die probeert de essenciële structuren van het bewustzijn te ontdekken en wordt gekarakteriseerd door het opzoeken van originele ervaringen en die in de context te benadrukken. Het idee van een context betekent aan de ene kant een buitenwereld te onderkennen die betekenis aan het fenomeen geeft en aan de andere kant een binnenwereld die zich rekenschap geeft van hoe de ervaring waargenomen wordt als een geheel en vanuit het perspectief van degene die het beleeft. Het bewustzijn heeft betrekking op iets, het is een stroom ervaringen die nooit stopt, dat wil zeggen het gehoor is altijd het horen van iets (een lied bijvoorbeeld), elk zien is het visiueel waarnemen van iets (een stoel of een bloem) en elke wens heeft betrekking op iets wat men wil. Een van de concepten die in de fenomenologie gebruikt wordt is het “zelf” dat bestaat in vergelijking met de “ander”. Zonder de ander is er geen zelf (ik) en de manier waarop de ander ervaren wordt is onlosmakelijk verbonden met de manier dat men zichzelf ervaart. De continuiteit van het zichzelf-zijn wordt in een relatie bereikt en niet zozeer door een exclusief intern proces.

Een andere pilaar waarop het bouwwerk van de fenomenologie op steunt is het begrip van de essentie van het ding. Het gaat om een filosofische weerspiegeling, die de objectiviteit van het weten duidelijk wil vastleggen in een methode. De grondregel daarbij is, dat de dingen zelf met hun essentiële inhoud aan het licht gebracht moeten worden door middel van een intuïtieve gerichtheid, die de dingen laat zien zoals ze zich direct aan een persoon voordoen en waarbij het (voor)oordeel, de opinie en verklaringen over de dingen even tussen haakjes gezet worden. Het doel van fenomenologisch onderzoek is erop te letten, dat deze systematisch toegepast wordt om het effect van vooroordelen zoveel mogelijk te verkleinen door middel van herhaalde observatie en een kritische houding. In de fenomenologie is het van overgroot belang een essentie te zoeken die vrij is van vooroordelen, herinneringen of verwachtingen en het is juist dit zoeken dat vaak lijkt op het pellen van een ui, waarbij laag voor laag verwijderd wordt, totdat men bij de kern van een ding of een fenomeen uitkomt – een zoektocht die in het Engels ook wel bracketing genoemd wordt, dat wil zeggen dat de context in de brein tijdelijk tussen haakjes gezet wordt. De handeling van het waarnemen van een bloem bijvoorbeeld is een ervaring zonder dat het uitmaakt of men de bloem kan aanraken, op het Internet gezien wordt of in een droom. De confrontatie met deze bloem is een bewuste ervaring, waarbij de fysieke staat niet uitmaakt, daar dat onderdeel is van de tweede structuur in de fenomenologie.

De klassieke “fenomenologen” (tussen aanhalingstekens want de fenomenologie is niet iets exacts en iedereen hanteert een eigen versie) onderscheiden twee hoofdstromingen, afgezien van de vele interpretaties die de fenomenologie rijk is: de eerste tracht het type ervaring te beschrijven precies zo als wij het in onze ervaringsweeld bevinden (huidig en verleden). Husserl en de Fransman Merleau-Ponty (1908-1961) hadden het over een pure beschrijving van belevingen. In de tweede interpretatie wordt een type ervaring geïnterpreteerd door deze te relateren met de relevante karakteristieken van de context. Volgens deze lijn van denken gebruikte de Duitse filosoof Martin Heidegger (1889-1976) de term hermeneutica, oftewel de kunst van het interpreteren binnen een context en vooral dan binnen sociale en linguistische omgevingen.

De fenomenologie en de wetenschap

De fenomenologie is bijna in elke hoek van het wetenschappelijk landschap toegepast en wat wetenschappelijk onderzoek betreft accepteert de fenomenologie de individuele perceptie als een betrouwbare bron voor kennisproductie. Er worden vooral kwalitatieve methodes toegepast, waarbij vooroordeel en vooringenomen stellingname over ervaringen, gevoelens en reactie op concrete situatie vermeden worden. Gebaseerd onder andere op het impressionisme is er met toepassing van Heidegger’s hermeneutisme een nieuwe weg ingeslagen die zich speciaal concentreert op de betekenis in algemene zin en niet op maten, dat wil zeggen dus geen nadruk op variëerende resultaten in positivistische zin, maar gericht op het toevoegen van een gezichtspunt op de zaak die bestudeerd wordt. Dit staat de onderzoeker toe zich te verdiepen in de gewaarwording, perspectieven, begrip en emoties van mensen die daadwerkelijk het ding of fenomeeen dat onderocht wordt zelf beleefd hebben.

In het geval van bijvoorbeeld de psychologie met een fenomenologische benadering, wordt eerder de exploratie benadrukt, die een persoon met zijn omgeving onderhoudt, dan met zichzelf. Als deze relatie zich richt op een ding, dan binnen dit proces verkrijgt het ding een subjectieve en vermenselijkte dimensie. Als voorbeeld kan hier genoemd worden het geval wanneer mensen aan depressies lijden. Het lijkt op die momenten, dat de hele wereld er slechts grijs, donker en koud uitziet. Aan de ene kant weerspiegelt de mens zich in de dingen, maar aan de andere kant beïnvloedt de betekenis van de dingen de mens. Een ding opzichzelf (Descartes: chose matérielle) wordt ontkend.

De fenomenologie kan beschouwd worden als de studie en beschrijving van fenomenen zoals zij bewust ervaren worden door de mensen die ze beleefd hebben. Dit onderzoek betreft allereerts conversaties en interviews, behalve dan natuurlijk de directe waarneming en de studie van audio-visueel materiaal. Het ervaringsniveau van de deelnemers doet er niet toe, noch hun socio-culturele achtergronden of vooringenomen ideeën, daar het onderzoek zich vooral richt op de beleefde ruimte, het beleefde lichaam, beleefde tijd en beleefde menselijke relaties. Het element van de context betekent ook dat onderzoek normaal gesproken op de plaats zelve uitgevoerd wordt onder natuurlijke condities en zeker niet in een klinische of kunstmatige omgeving. De wetenschappelijke benadering van dit onderzoek is van holistische aard, wat ook duidt op het belang van het verband en de veronderstelling, dat het geheel meer is dan het totaal van de componenten. Verder moet het duidelijk zijn dat de fenomenologie multidisciplinair onderzoek voorstaat.

Een paar bekende namen betrokken bij de fenomenologie.

Er zijn een serie filosofen en sociologen geweest die belangrijke bijdragen geleverd hebben aan de fenomenologische gedachtenwereld. Een voorbeeld is Karl Marx (1818-1883) die de problematiek van de verschijning in het centrum zette van zijn politiek-economische kritiek, waarin de sociale relaties die tot exploitatie leiden uiteengezet worden. Merleau-Ponty (1908-1961) adopteerde de begrippen van Husserl’s levenswereld (Lebenswelt) en beschouwt de filosofie als een fenomenologische activiteit die de wereld nauwkeurig beschouwt. De beschrijvende methode van de beleving is daartoe geëigend voor de benadering van existentiële problemen. Jean-Paul Sartre (1905-1980) geloofde, dat onze ideeën het product zijn van de ervaringen van het werkelijke leven en dat romans of toneelstukken netzo goed deze fundamentele ervaringen kunnen beschrijven als filosofische uiteenzettingen. Daarbij is volgens Sartre de intentie toepasbaar op zowel emoties als op kennis, op wensen zowel als op gewaarwordingen. Het is tenslotte interessant te vermelden dat de Franse socioloog en filosoof Michel Foucault (1926-1984) niets te maken wilde hebben met het fenomenologische ideeëngoed, ondanks het feit, dat groot deel van zijn oeuvre duidelijke fenomenologische tendensen vertonen. Zijn redenering is, dat voor hem de fenomenologie te veel op de persoon zelf betrokken is en zich geheel richt op het Ik, terwijl naar zijn inzichten de mens een intrinsiek deel uitmaakt van wijdere beschouwingen en tijdsbeeld, dat wil zeggen dat volgens hem het individu verzinkt in heersende sociale structuren.

Enkele toepassingen van de fenomenologie.

Om dit korte overzicht over een bijna oeverloos thema af te ronden worden nu een aantal concepten geïntroduceerd, die onder fenomenologische invloeden onstaan zij:

  • Holisme > is een concept dat in 1926 door Jan Christiaan Smuts werd gecreëerd en omschreven kan worden als de tendens van de natuur een creatieve evolutie toe te passen om een geheel te vormen dat meer is dan het totaal van de onderdelen. In het algemeen geeft het holisme aan, dat een systeem en zijn eigenschappen als een globaal en geïntegreerd geheel beschouwd wordt om de functionering ervan te begrijpen en niet zozeer als een eenvoudige som van de delen.

  • Liminaliteit > komt van het Latijnse woord limen, dat drempel betekent. De term werd door de Franse anthropoloog Arthur van Gennep in 1909 voor het eerst geïntroduceerd om het inwijdingsritueel van jongeren naar volwassenheid te omschrijven. Pas gedurende de jaren 60 werd de term verbonden met begrippen zoals de transitie van een status naar een andere op het moment, dat het moeilijk is de grenslijn te trekken tussen een concept en het andere. Zo is het strand een liminale zone tussen land en zee. Bij de liminaliteit dienen grenzen niet zozeer om te scheiden, maar juist als wissel- en samenwerking.

  • Emic-Etic > de fonologie (phonemics in het Engels) is de leer die de kleinste nog betekenisdragende klanken van de gesproken taal bestudeerd. Deze klanken worden ook wel fonemen genoemd en slaan op een specifieke taal, wat inhoudt, dat iedere taal en cultuur zijn eigen stel fonemen heeft. De fonetiek (phonetics in het Engels) bestudeert de taalklanken op een fysisch (akoestisch) niveau onafhankelijk van welke taal het betreft. De termen emic en etic werden in de linguistiek voor het eerst in 1967 door Kenneth Pike geïntroduceerd. Later werden de termen overgenomen in de anthropologie, waarbij emic betrekking heeft op de kennis en interpretaties zoals verteld door een taalgemeenschap zelf, terwijl etic dan slaat op algemene trekken van menselijk gedrag vanuit het oogpunt van de (wetenschappelijke) waarnemer. In het algemeen kan gesteld worden dat emic eerder binnen de fenomenologische traditie valt, terwijl etic eerder neigt naar Cartesiaanse denkwijzen.

  • Ruimte-Plaats-Cyberspace > De grenzen van ruimtes zijn flexibel en zijn symbolisch en interpretatief. In het algemeen zijn ruimtes koud en emotioneel ontoegankelijk. Uiteraard kunnen ruimtes zekere karakteristieken hebben, maar zij hebben nooit een karakter. Een plaats echter is een ruimte die verder reikt dan alleen fysieke begrenzingen en uitstijgt boven tastbare kwaliteiten zoals vorm en maat: een plaats is wat mensen van een ruimte maken door hun emotionele gehechtheid en interactie – het zijn vermenselijkte ruimtes. Een voorbeeld is het verschil tussen een hotelkamer (ruimte om te slapen) en je eigen slaapkamer thuis (plaats om te slapen). In het geval van de cyberspace gaat het om het Internet als een infrastructuur, die geïnterpreteerd kan worden als een virtuele omgeving, waar de wetten van de fysica niet van toepassing zijn, omdat de inhoud geen massa en geen vorm heeft, oftewel zonder fysieke grenzen. De gebruikelijke relatie tussen een fysieke ruimte en de tijd komen in de cyberspace samen: een ontastbare maar werkelijke wereld, waar de Cartesiaanse regels niet opgaan, maar wel de menselijke verbeelding als instrument voor sociale relaties. De cyberspace concurreert noch met plaatsen of ruimtes, maar vult die aan door de capaciteit om verbanden te leggen en hoewel de cyberspace geen “ruimte” inneemt, voorziet deze in een infrastructuur – netzo als de architectuur – voor sociale interactie.

De fenomenologie en het toerisme.

Binnen het kader van het toerisme heeft de fenomenologie gediend als een manier om de ervaringen van zowel gasten als gastheren te beschrijven en te begrijpen. Het gaat om een ontmoeting tussen de een en de ander, waarbij deze laatste vanuit de fenomenologische hoek dus slaat op mensen van buiten de bestemming, zoals reizigers, pilgrims, zakenlui of toeristen. De studie van het reizen en het toerisme binnen een fenomenologisch raam heeft zich het meest geconcentreerd op de beleving van de deelnemers in deze ontmoeting gebaseerd op vooral kwalitatief onderzoek met nadruk op rijke beschrijvingen en met veel ruimte voor interpretaties en reacties van deelnemers en onderzoekers.

Binnen het bestek van de levenswereld vormt het plaats/ruimteconcept een nuttig hulpmiddel om de relaties te ontleden tussen ‘wij’ en ‘hen’. De fenomenologische benadering omschrijft de plaats van de ontmoeting (nog wel eens aangeven als de bestemming) als met flexibele grenzen, die op symbolische interpretaties gebaseerd zijn en die openstaan voor de ontmoeting tussen wat hier is aan de ene kant en de mensen van buiten aan de andere, waarbij er een interactie plaatsvindt tussen zowel menselijke als materiële acteurs. Binnen deze context kan de ruimte waar mensen wonen dus begrepen worden als plaatsen: vermenselijkte ruimtes. De ontmoeting betreft dan de “plaats”elijke bevolking en bezoekers, voor wien die plaatsen vreemde ruimtes zijn. Wanneer in deze vreemde en misschien zelfs vijandig aandoende ruimtes een interactie plaatsvindt, proberen de bezoekers deze fysieke en mentale ruimte om te zetten in een bekende plaats – dit onder andere afhankelijk van de liminale status van de bezoekers. Het is nu precies dit deel van de ontmoeting, dat geregeld wordt door een concept, dat zo oud is als de mensheid zelve: de gastvrijheid als een samenstelling van gewoontes, etiquette en rechten. Dit betekent, dat het economische deel van het reiswezen en daarmee een positivistische benadering, die daar doorgaans mee gepaard gaat, slechts een onderdeel is van het veel bredere concept gastvrijheid.

De dominerend economische visie op het toerisme van na de 19e eeuw heeft een positivistische traditie en daarmee Cartesiaanse lijnen gevolgd, waarbij de bezoekers als klanten gezien worden en de plaatselijke bevolking en infrastructuur als leveranciers. Ook hier zijn fenomenologische onderzoeksmethodes toegepast om klanttevredenheid te meten of te omschrijven, waarbij echter systematisch en op grote schaal aan het feit voorbij wordt gegaan, dat de ontmoeting tussen ‘wij’ als plaatselijke mensen en ‘hen’ als bezoekers een veel breder terrein omvat en zich op vele socio-economische lagen kan afspelen, op wederzijds begrip kan rekenen en zich ook op gelijk machtsniveau kan voltrekken. Het begrip emic kan dan bij onderzoek een belangrijk insteek zijn.

Deze korte introductie tot de fenomenologie heeft tot doel allereerst een bewustwording te creeëren voor de verschillende manieren, waarop de mens de wereld kan benaderen en ten tweede een lans te breken voor non-lineaire denkwijzen, waarbij onder andere de subjectiviteit erkend wordt als bron van kennis.

Deze website is niet commercieel en genereert geen inkomsten; daarom wordt het op prijs gesteld, wanneer diegenen die de inhoud ervan actief gebruiken (werkzaam in het toerisme, studenten en academici) een vrijwillige donatie maken – klein en symbolisch als die ook mag zijn – door op de DONATE toets te drukken (Paypal systeem) onderaan deze pagina

Alle rechten voorbehouden. De gehele of gedeeltelijke reproductie is verboden zonder de toestemming van Marinus C. Gisolf en zonder bronvermelding

Geef een reactie


+ 3 = 5