Al lang verkeert het vakantietoerisme in de greep van het economisch denken en sociologisch onderzoek. Op deze website wordt een gebalanceerder inzicht aangehouden: de toeristen zelf en hun ontmoeting met hun vakantiebestemming. De toeristen nemen wat hen aangereikt wordt en gebruiken dit voor hun eigen doeleinden; het zijn deze doeleinden die ons het meest interesseren en meer dan 25 artikelen op deze website gaan daar nu juist over: het toerisme van de toeristen.

Onder het hoofdje "Toerisme" is een nieuw artikel van mij toegevoegd over Klimaatsverandering (Juli 2020).

In februari 2020 heb ik een nieuw artikel toegevoegd in de rubriek "Toerisme" getiteld "Fenomenologie en het Toerisme".

Duurzaamheid en Toerisme

Alle rechten voorbehouden. De gehele of gedeeltelijke reproductie is verboden zonder de toestemming van Marinus C. Gisolf en zonder bronvermelding

DUURZAAMHEID

Inleiding

De duurzaamheidsdiscussie is op gang gekomen, omdat er een aantal zaken bezig zijn behoorlijk scheef te lopen: biodiversiteit vermindert, ozon lagen worden aangetast, broeikas effecten beginnen voelbaar te worden en bevolkingsgroepen worden achtergesteld (q192, q188, q190, q193). Er zijn langzamerhand zoveel symptomen, dat het op een ziekte lijkt die een behandeling op globaal niveau vergt (q179). De duurzaamheidsprincipes zijn oorspronklijk als antwoord op deze problematiek ontwikkeld. Daarbij gaat mijn interesse vooral uit naar de rol die het toerisme in een duurzame ontwikkeling speelt en ook de mate, waarin deze duurzaamheid het toerisme kan versterken. In het eerste geval gaat het erom te voorkomen, dat het toerisme zich zelf door niet-duurzame acties vernietigt. Het tweede geval betreft onder andere een soort duurzame ontwikkeling, dat een milieu creeërt, waar het toerisme goed gedijt, er geen vervuiling plaats vindt en het ook veilig voor toeristen is. Een stabiel politiek klimaat, een gedegen economie en goed opgeleide werkkrachten zijn tekenen, dat een duurzame ontwikkeling het toerisme kan versterken.

Om in te kunnen zien hoe diep het vernielende element is ingeworteld in vooral de westerse maatschappijen en waarom er de noodzaak ontstaan is ons milieu met andere ogen te gaan bekijken, zal ik eerst in vogelvlucht het een en ander in historisch perspectief zetten en ook een overzicht geven van de ontwikkeling van de relatie van de mens tot zijn omgeving.

De problematiek

Vanuit een juridisch oogpunt is het interessant te zien hoe de rol van ons milieu met de tijden veranderd is. Het gaat dan om zaken die deel uitmaken van het collectieve onderbewust zijn van een hele maatschappij of van een grote groep mensen, die hetzelfde milieu delen. Hoe men – vanuit een juridisch oogpunt – het milieu en de natuur bezag, is over de eeuwen behoorlijk veranderd. Het Romeinse recht onderkent in deze twee belangrijke begrippen: een zaak of een goed kan niemand toebehoren en er zijn zaken of goederen die iedereen toebehoren. Deze begrippen staan bekend in het Latijn als res nullius en res comunis (zie bijv. q216, q84). De vlinder die zorgeloos voortdwarrelt heeft geen eigenaar; echter op het moment dat zij gevangen wordt, krijgt zij wel een eigenaar en houdt op res nullius te zijn en is een gewoon goed geworden. In het geval van res comunis denken wij aan zaken die ons allen toebehoren, zoals de lucht die we inademen, het zonlicht of de zee. Deze zaken hebben nooit een eenmalige eigenaar.

Hoe meer mensen er op de planeet zijn, hoe sterker de tendens, dat minder zaken tot de categorie res nullius behoren en de goederen die ons allen toebehoren van nog groter belang worden. En het moge duidelijk zijn, dat de natuur in de vorm van flora en fauna van origine tot de res nullius gerekend werd (q84).

De mens heeft zich altijd rond zijn milieu georganiseerd; sociale of economische structuren zijn erop gericht geweest een plaats in het milieu en in de natuur te waarborgen en het is deze relatie van de mens tot zijn omgeving, die door de geschiedenis heen aan veranderingen onderhevig is geweest.

Vanaf de ontwikkeling van de eerste homo sapiens concureerde deze met alle verdere dieren in de natuur om voedsel te vergaren. De natuur had geen eigenaar, de mens vormde onderdeel van de natuur en had het begrip ‘eigendom’ nog niet uitgevonden. Toen de mens de landbouw begon te ontwikkelen ontstond er de situatie, waarbij men zich bewust begon te worden, dat er zaken in de natuur waren, die wel een hele groep mensen toebehoorden, maar dat de dieren hiervan uitgesloten moesten worden. In juridische termen is het feit van het uitsluiten de basis voor het begrip eigendom (q114).

De negatieve invloeden, die de landbouw en veeteelt hadden kunnen hebben, werden verzacht door het feit, dat de mens (en dan denken we aan 20 of 30 duizend jaar geleden) zich nog onderdeel van de natuur voelde. De magie van het groeien en de band met de aarde stond voorop in het besef van het milieu. Vanaf het moment dat de mens niet meer rondtrok en dorpen begon te vormen – die later steden zouden worden – is de band met de natuur en het milieu geleidelijk veranderd. Het een en ander was ook het gevolg van het Godsbegrip en het geloof van de mens als Zijn creatie. De visie van de mens in het centrum van het universum heeft ook geleid tot de ontwikkeling van het privee-eigendom. De mens bedacht zich het recht toe om iets te hebben, waarvan alle anderen uitgesloten zijn – een ontwikkeling die vooral in de westerse wereld van belang zou blijken te zijn (zie bijv. q220).

Pas veel later in de geschiedenis van de mensheid ontstond er een noodzaak om res nullius tot op zekere hoogte te gaan beschermen, waardoor er de figuur ontstond van het openbaar- of staatsbezit. Dit geldt voor die goederen waarvan een zekere bevolking het recht heeft juist niet uitgesloten te zijn, maar mensen van andere nationaliteiten wel. Zoals we verderop in dit stuk zullen zien, spelen hier ook economische overwegingen: de natuur – nog in vele streken een res nullius en als zodanig zonder economische waarde – eenmaal gevangen, gekapt of geschoten verandert in eigendom met economische waarde.

Vanaf de zeventiende eeuw zijn de concepten van het persoonlijk en openbaar eigendom volop ontwikkeld en wel tot zo’n hoge mate, dat het privee-eigendom een absoluut karakter gekregen heeft en bijna onaantastbaar geworden is. Hierdoor werd de band met het milieu, de natuur en de maatschappij verbroken, als ook de verantwoordelijkheid jegens dat milieu: het recht van eigendom is tegenwoordig zelfs het recht om eigen eigendom te vernietigen (q84). Mocht er in vroegere tijden nog een overeenstemming heersen over hoe een plaatselijk milieu behandeld moest worden, is zelfs die band – en daarmee een enorm stuk sociale solidariteit – verloren gegaan ten gunste van het onaantastbare eigendom, dat iedere inmenging door mensen, milieu of andere noodzakelijke overwegingen voor het behoud van een gemeenschap, buitensluit. En daarmee komt ook ter sprake, dat eigendom maar gedeeltelijk gezien wordt als een recht voor de toekomst van familieleden. In de westerse maatschappijen bestaat er, gedeeltelijk vanwege hogere rechtszekerheden, levensverzekeringen en hoge belastingen over erfenissen, ook nog eens een tendens, dat de toekomst van de volgende generaties in mindere mate een bron van zorg vormt. Met alle zogenaamde zekerheden komt dat wel goed, denkt men dan. De afnemende religieuze interesse die daar het gevolg van is, het leven in het heden, de modieuze kant ervan, het gevoel van ‘je leeft maar een keer’ en een steeds dominerende rol van “dit is van mij en niemand kan daar aan komen” beginnen te overheersen. Het gevoel van eigendom in de westerse wereld gaat zo ver, dat niet eens kinderen of kleinkinderen daarin betrokken worden. Eigendom vormt een bijna onlosmakelijk geheel met het ego van de mens. Niet alleen de overwegingen over toekomstige generaties spelen een marginale rol, maar ook de solidariteit met de medemens en het milieu is voor een groot stuk verdwenen. De zaken die geen eigenaar hebben bestaan bijna niet meer en zelfs de zaken onder de res comunis staan onder druk, en niet alleen vanwege vervuiling, maar ook door de steeds verder groeiende tendens alles in deze wereld op een of andere manier als ‘eigendom’ te willen kenmerken – hetzij privee of van de staat. Het drinkwater is hier een voorbeeld van.

Economisch gezien in moderne markt gestuurde economiën betreft het begrip rijkdom alleen wat geldelijke waarde heeft. Goederen of diensten, waarvan de waarde niet in geld uitgedrukt kan worden (markt wisselwaarde), worden niet onder het begrip ‘rijkdom’ gerekend (q97). Dit betekent, onder andere, dat de natuur daar ook niet onder valt, omdat die doorgaans geen (financiële) marktwaarde vertegenwoordigt. De vernieling van de natuur wordt vervolgens niet als een verlies gezien. Integendeel, deze vernieling vormt een belangrijk onderdeel voor de toename van rijkdom – bezien vanuit het oogpunt van markteconomiën.

Dit is niet altijd zo geweest. In voorgaande eeuwen waren de kapitaal georiënteerde economiën niet alleen op de waarde der dingen gericht, maar was er ook een inhoudelijke kant vanuit het oogpunt van het kapitaal. Een initiatief vergt een investering en dit moet tot de productie van goederen leiden. De investering begint als zodanig een economisch leven te leiden. Met kapitaal produceert men. Echter is dit inhoudelijke begrip vooral na de tweede wereldoorlog naar de achtergrond gedrongen, terwijl de formele kant – de waarde ergens van wordt door de markt bepaald – nu geheel de overhand heeft (q97). Dit heeft in groeiende mate geleid tot het gebruik van kapitaal om meer geld te verdienen zonder echter productief bezig te zijn. Het speculeren op de beurs is hier een voorbeeld van: een “spel” met geld waarbij de één rijker wordt en de ander armer. De handel in onroerend goed, het verzekeringswezen als ook de handel op de deviezenmarkt kunnen in deze context worden genoemd. Wat centraal is komen te staan is hoeveel men verdient en niet zozeer hoeveel iemand produceert – fysiek, mentaal of cultureel.

De toenemende druk in markteconomiën om kapitaal te reproduceren heeft geleid, onder andere, tot een steeds kortere productie cyclus. Voornamelijk op twee manieren komt dit tot stand: door ervoor te zorgen dat een product een kortere levensduur heeft of door er een mode-element aan te verbinden, waardoor dit product na enige tijd – ouderwets geworden – zijn markt waarde verliest en vervangen wordt, hoewel het nog in uitstekende staat kan verkeren. Simpelweg gezegd, om maar te kunnen blijven produceren op een steeds hoger ritme en daarmee toegevend aan de dwang om steeds sneller winsten te produceren moet er een voortdurend groeiende productie zijn. De consequenties voor de natuur hiervan zijn tweeërlei: in toenemende mate worden er grondstoffen aan de natuur onttrokken en, ten tweede, is er een snel groeiende berg afval die aan de natuur wordt ‘teruggegeven’ door het steeds sneller afdanken van het geproduceerde. Beide effecten leiden tot de vernieling van de natuur, maar dit wordt niet als een economisch verlies gezien, maar eerder als een ingebouwd noodzakelijk onderdeel om meer (geldelijke) rijkdom en ontwikkeling te creeëren.

Het is tot de markt gerichte economiën doorgedrongen, dat de natuur niet vervangen kan worden en dat de reproductie ervan relatief langzaam verloopt. Dit betekent, dat als het kapitaal op langere termijn de eigen reproductie wil veilig stellen, er beschermende maatregelen genoemen moeten worden wat de natuur betreft. Dit heeft tot het toch wat merkwaardig gevolg geleid, dat er in vele markteconomiën in de bescherming en ook het ‘repareren’ van vernielde natuur geïnvesteerd wordt, ondanks het feit dat die natuur zelf nog steeds geen marktwaarde wordt toegekend en de vernieling ervan op monetair gebied niet te meten valt. Vanuit markttechnisch oogpunt investeert men in de bescherming van iets wat markttechnisch niet bestaat.

Het zijn deze markt economische inzichten, die vooral gedurende de laatste 150 jaar een grote vlucht hebben genomen en mede schuldig zijn aan de enorme verwoesting der natuur.

De mensheid leeft op voet van ongelijkheid met de natuur. Gedurende de tweede helft van de twintigse eeuw is de vermindering van de biodiversiteit nog nooit zo snel gegaan (q217). Echter staat dit verlies aan biodiversiteit nergens in de wereld als een economisch verlies genoteerd. Het moge duidelijk zijn, dat gedurende deze periode de limieten van duurzaamheid overschreden zijn en de snelheid, waarmee de natuur zich reproduceert nu ver achterligt bij het ritme, waarmee het kapitaal zich vernieuwt. Met andere woorden gebruiken we de aarde meer, dan dat zij ons kan geven. Onze aarde heeft zo haar beperkingen wat natuurlijke bronnen betreft, maar ook als ‘ontvanger’ van afval en CO2 uitstoot, onder andere (zie bijv. q186). De grondslagen van de markteconomiën hebben echter het onderhoud van de aarde niet meegerekend. Men is dermate geconcentreerd op het produceren van winsten, dat al het andere daaraan onderschikt gemaakt is en er zelfs niet naar onze aarde omgekeken wordt en zeker niet met een blik op de toekomst. De reproductie van kapitaal dient nu te geschieden, en morgen zien we wel weer hoe we dan nog winsten kunnen maken. Met andere woorden wordt op versnelde wijze het leven op aarde opgeofferd om op korte termijn kapitaal te kunnen reproduceren.

Het een en ander heeft geleid tot wat wij de comsumptiemaatschappij noemen, waarbij het kopen bijna even belangrijk geworden is als het hebben (in eigendom) en het steeds vaker om goederen gaat, waarvan we ons kunnen afvragen of we ze wel nodig hebben. Het betreft nu een maatschappij, waarbij consumptie een overlevings zaak is geworden, waar de solidariteit binnen die maatschappij aan het verdwijnen is en het ego van de mens en zijn eigendom zo centraal zijn komen te staan, dat men zich slechts met het heden bezighoudt en de toekomst nauwelijks een rol speelt bij gedragspatronen.

Er spelen helaas nog meer factoren een rol, die het panorama er niet mooier op maken. De landbouwsector lijdt onder de druk van te weinig investeringen vanwege de lage rentabiliteit ervan en ook door het feit, dat steeds meer geld gebruikt wordt om alleen maar meer geld te creeëren zonder dat daar enige productie aan te pas komt. Met besteedt geld alleen maar met het doel zo snel mogelijk meer geld te verdienen zonder dat er aan basis zaken, zoals voedsel productie, gedacht wordt. Onder druk van verminderde natuurlijke bronnen zoals olie, komen onder andere de bio-brandstoffen op de voorgrond, maar ook op dat gebied betekent dit een tol, die op de normale voedsel producerende landbouw geheven wordt. Voedsel wordt schaars en duur.

Het concept ‘duurzame ontwikkeling

Maatregelen om milieu en natuur te beschermen en mogelijke verwoesting ervan tegen te gaan zijn pas laat in de geschiedenis van de mensheid aan de orde gekomen. De ideeën zelf over de bescherming van de natuur en van het milieu zijn oud, daar tot op zekere hoogte de scheiding van mens en natuur zich langzaam voltrokken heeft; echter als een duidelijke beweging van social karakter moeten we terug naar de negentiende eeuw (industriële revolutie). Gedurende de 1860´s zijn er een aantal Nationale Parken in de VS opgezet (o.a. Yellowstone) en landen zoals Canada, en Australië volgden snel. In Nederland zijn er ook kentekens zichtbaar uit die tijd: de Nederlands Vereniging voor Dieren Bescherming is opgericht in 1864. Enigszins later was de oprichting van de bekende Nederlandse Vereniging van Natuurmonumenten in 1905. Op internationaal niveau werd in 1913 de eerste acte getekend van wat de stichting van de Advies Commissie voor Internationale Bescherming van de Natuur zou worden (die nu bekend staat als de World Conservation Union). In die tijd stond de bescherming van specifieke natuurgebieden centraal.

Een geheel nieuwe ontwikkeling kan aan het einde van de zestiger jaren waargenomen worden. De na-oorlogse geboorte golf in Europa, en eind jaren vijftig de veranderende bevolkings structuren in de derde wereld, waarbij de werelbevolking enorm begon te groeien (demografische transitie), resulteerden in dratische veranderingen voor milieu en natuur. Het rapport dat de Club van Rome in 1972 publiceerde (q189) heette Beperkingen aan de Groei (“Limits to Growth”) en maakte duidelijk, dat alleen de bescherming van de natuur niet genoeg was. Naast vele ecologische maatregelen kwamen ook andere cruciële factoren naar voren: armoede en honger. Een van de basis concepten in die tijd was het idee, dat om een maatschappij gezond te hebben dit van een radicale reorganisatie van sociale structuren op wereldniveau zou afhangen.

In 1987 werd er een nieuwe visie op ontwikkeling gepresenteerd die nu als het Bruntland rapport bekend staat: “Een ontwikkeling die de behoeften van het heden bevredigt zonder het vermogen in gevaar te stellen van toekomstige generaties hun eigen behoeften te kunnen bevredigen” (q195). De drijfveer die deze visie onderbouwt kan herleid worden tot nu precies dat rapport van de Club van Rome (q189). Dit rapport stelde namelijk dat de bevolking en industriële productie verder zullen groeien in een wereld, waar er slechts een bepekte hoeveelheid grondstoffen aanwezig zijn en dit tot gevaarlijke effecten kan leiden, zoals een groeiende contaminatie, gebrek aan niet-hernieuwbare grondstoffen en bodemerosie, terwijl de resulterende voedseltekorten in de 21ste eeuw het bezwijken van bevolkingstructuren zou kunnen betekenen. In die tijd kreeg de zaak dat er limieten aan economische groei zouden zijn als gevolg van milieubeperkingen onder het merendeel van de economen weinig gehoor.

Het Bruntland rapport daarentegen stelt een ontwikkelingsstructuur voor, die op drie pilaren rust, om precies te zijn op economische, sociale en milieu-gerichte duurzaamheid (q194). Duurzaamheid betreft een ontwikkelingsvisie die duidelijk op de toekomst gericht is. Deze visie omvat een nauwe samenwerking met plaatselijke bevolkingen, wat ook weer een duidelijke erkenning inhoudt, dat een gemeenschap, een plaatselijke bevolking of een ethnische groep bescherming nodig heeft voor de conservering van hun milieu en cultuur. Daarbij wil deze visie het soort ontwikkeling verzekeren, waar alle deelnemers op materieel en en socio-culturele niveau beter van worden. Dit kan op geldelijk gewin betrekking hebben, maar ook op verbetering van de infrastructuur of toegang tot (staats-)dienstverleningen. De visie op duurzame ontwikkeling is dus gebaseerd op deze drie pilaren (q194):

  • Economische duurzaamheid die op verschillende niveaus van de maatschappij welvaart creeërt en daarbij kosteneffectief in alle economische activiteiten is. Een lange termijn visie is daarbij van vitaal belang;

  • Sociale duurzaamheid, wat het respecteren van de mensenrechten inhoudt en gelijkwaardige mogelijkheden voor iedereen. Onder andere wordt de rol van een plaatselijke bevolking benadrukt, waarbij hun leefsystemen onderhouden en versterkt worden met daarbij een volledige erkenning van andere culturen en het vermijden wat welke vorm van exploitatie dan ook.

  • Milieu-gerichte duurzaamheid, die grondstoffen en bronnen beschermt en dan vooral degene die niet hernieuwbaar zijn of van speciaal belang voor leefsystemen. Actie is vereist om vervuiling van de lucht, de grond en het water tegen te gaan, als ook om de biodiversiteit en natuurlijk erfgoed te conserveren.

Het is van belang te onderkennen dat deze drie pilaren van elkaar afhankelijk zijn, elkaar kunnen aanvullen, maar ook tegenstrijdig kunnen zijn. De toepassing van een duurzame ontwikkeling betekent het slaan van een balans tussen deze drie pilaren (q194).

Er is echter wel enige kritiek geventileerd. Binnen het raamwerk van de economische wetenschappen werd er gesuggereerd, dat de concepten van duurzame ontwikkeling ontworpen zijn om tegengestelde waardeposities omtrent het milieu en de economie te overbruggen (q179). Het in overeenstemming brengen van economie en ecologie klonk goed, maar zou niet het hoofdmotief moeten zijn. Wat wel duidelijk werd, dat in tegenstelling tot de 19de en begin 20ste eeuw het milieu nu als globale problematiek gezien wordt, die zowel internationale reacties als globale analyses oproept.

Gedurende de jaren negentig werden er een aantal initiatieven over het thema van de duurzame ontwikkeling gepresenteerd. Het toerisme als wapen om de armoede te bestrijden was een van die voorstellen (zie bijv. q183). Daarnaast ontving in 1998 een publicatie van John Elkinton veel aandacht. In zijn boek (q218) introduceerde hij het concept van de zogenaamde “triple bottom line”: ecologie – economie – sociaal, met nadruk op een humane duurzame ontwikkeling. Tegenwoordig bestaat er dan ook een duidelijke erkenning, dat milieubescherming uiteindelijk op een sociale constructie berust en cultuur gedreven is met een erkenning van culturele waarden, vooral dan van inheemse bevolkingen en daarnaast de erkenning van de principes van milieu-rechtvaardigheid (q179). In de praktijk betekent dit soms, dat om te kunnen verzekeren dat natuurgebieden beschermd worden, er paradoxaal genoeg bezoekers in gevoelige natuurgebieden toegelaten moeten worden om zo de wetgevende macht te overtuigen deze natuurgebieden te beschermen en te onderhouden.

De Johannesburg Declaratie over Duurzame Ontwikkeling (2002) bracht wel enig licht in de zaak en in 2003 werd het Marrakech Process gestart, wat een tien jaren plan was, waarbij een aantal zogenaamde Task Forces zijn opgezet die op specifieke terreinen de milieu problematiek in kaart moesten brengen ter ondersteuning van plaatselijke initiatieven. Het was niet tot 2015 dat de Verenigde Naties een nieuw initiatief lanceerde, dat simpelweg Duurzame Ontwikkelings Doelstellingen heet (SDG in het Engels) (q193), terwijl later dat jaar in Parijs de zogenaamde COP21 overeenkomsten over klimaatveranderingen de urgente noodzaak aangaven voor iedereen om hier actief aan mee te doen. Deze overeenkomsten geven duidelijk aan (q193) dat alle rapporten over klimaatveradenring, opwarming van de aarde en het verlies aan biodiversidad inderdaad uitkomen (zie bijv. q192, q188, q190, q193) en dat een duurzame ontwikkeling van vitaal belang is, maar niet de enige begaanbare weg. Daarbij leggen de deelnemers van de COP21 overeenkomsten uit, dat de priveesector al eerder actief bezig waren en dat er vele steden en andere plaatselijke acteurs zijn, die maatregelen genomen hebben als een duidelijk teken om naar een toekomst te streven van lage kooldioxide uitstoot en hoge veranderingsbestendigheid.

Toerisme en Duurzaamheid

Het toerisme heeft in deze drie fases van ecologische en duurzame ontwikkeling nauwelijks een rol gespeeld. Begin 20ste eeuw begon het toerisme zich duidelijk te ontwikkelen, maar op het gebied van natuurbescherming had dit weinig invloed. Gedurende de jaren zeventig “ontsprong” het toerisme de dans; het werd als een gezonde bezigheid gezien – de groene industrie. Oorspronkelijk werd het toerisme nauwelijks in het rapport van de Club van Rome of in het Bruntland rapport genoemd, maar vanaf de jaren negentig begon het duidelijk te worden dat het toerisme zich tot een overheersende speler in de economie had ontwikkeld en dat dit in zowel goede als ook slechte effecten gesorteeerd heeft.

Pas eind jaren negentig is het toerisme nauwer betrokken geraakt in de discussie over duurzame ontwikkeling en met name door het debat rond de biodiversiteit is het toerisme in de vuurlijn komen te liggen. In 2001 werden er regels opgesteld voor Biologische Diversiteit en Duurzaam Toerisme (Convention on Biological Diversity, 2001). De Verenigde Naties verklaarde het 2002 als het jaar van het Eco-Toerisme.

Hier moet overigens wel direct bij vermeld worden, dat de concepten van duurzame toeristische ontwikkeling al veel langer op “lagere” niveaus van belang waren – met andere woorden hebben vele lokale actie groepen, milieu verenigingen en ‘NGO´s’ over de laatste 15-20 jaar een hele belangrijke inbreng gehad (de bekende The International Ecotourism Society ‘TIES’ is in 1990 opgericht), terwijl juist op internationaal niveau de duurzaamheids discussie wat lijkt te stokken. Daarnaast kan genoemd worden, dat het beperkt vermogen van de Staat een volledige bescherming van ecosystemen te waarborgen met daarbij de noodzaak productieve alternatieven te vinden in de zogenaamde bufferzones, ertoe geleid heeft, dat een duurzaam toerisme dat door plaatselijke bevolkingen zelf uitgevoerd wordt wel degelijk een oplossing kan betekenen voor het eeuwige conflict tussen conservering en ontwikkeling.

Het toerisme werd en is nog steeds beschouwd als een mechanisme om het milieu te beschermen en tegelijkertijd om economische ontwikkeling en werkgelegenheid te steunen (q193). De doelstellingen van de duurzame ontwikkeling zoals besloten door de Verenigde Naties geven aan in doelstellingen 8.9 en 12.8b “….een duurzaam toerisme dat werkgelegenheid creeërt en plaatselijke cultuur en productie bevorderd” (q193). Echter is het concept toerisme slechts in drie van de zeventien doelstellingen genoemd: in doelstelling 8 aangaande economische groei, doelstelling 12 over duurzaam consumeren en doelstelling 14 over de bescherming en het duurzaam gebruik van de oceanen. Daarnaast is het idee, dat het internationaal toerisme kan helpen om de armoede te bestrijden, maar tegelijkertijd ook zijn CO2 uitstoot moet verminderen aan scherpe kritiek onderhevig (q185, q186, 190).

De rol van de toerist in een duurzame ontwikkeling is tot nu toe slechts sporadisch in de literatuur behandeld en deze rol is dan doorgaans beperkt gebleven tot een omschrijving van toeristen als klanten in een martk-gedreven economie. Negatieve invloeden van de aanwezigheid van toeristen betreffen het milieu (verlies aan biodiversiteit, ontbossing, afval, etc.), het water (hoeveelheid en kwaliteit), de lucht en cultuur in het algemeen – allemaal factoren die niet alleen stadsgebieden betreffen, maar ook sterk voelbaar op het platteland zijn (q184).

Het moet uit dit betoog ook duidelijk zijn geworden, dat de duurzaamheids principes veel hanteerbaarder zijn op plaatselijk of regionaal niveau, terwijl waar het gaat om het veranderen van macro-economische systemen op zich zelf, er hele andere krachten aan het werk gesteld moeten worden. Om op plaatselijk niveau aan het behoud van onze planeet te gaan werken, kan het onderwijs in het algemeen een hele belangrijke rol gaan spelen als noodzakelijke factor om de huidige en toekomstige generaties bewust te maken van het belang van de solidariteit met de gemeenschap en met het milieu. De rol van een duurzame ontwikkeling moet langzamerhand groter worden, omdat vooral ook op plaatselijke niveau veranderingen naar een grotere solidariteit moeten leiden.

Een directe betrokkenheid van de toeristen zelf in een duurzame ontwikkleing is de enige levensvatbare optie. Het toerisme en daarmee de toeristen zijn van rol veranderd van plaatselijke naar globale acteurs. Het is daarom in het toerisme van belang de inspannningen te kanaliseren en het plaatselijke en het globale dezelfde richting te geven om niet alleen de doelstellingen van de VN te bereiken, maar ook die van het COP21 om klimaatsveranderingen verder te voorkomen.

Het moge nu wel duidelijk zijn op basis van bovenstaande beschouwingen, dat er meer nodig is, dan alleen goede intenties en een ontwikkeling, die toekomstige generaties erbij betrekt, om de aantasting van onze planeet tegen te gaan. De redenen, waarom onze planeet al zozeer aangetast is, liggen veel dieper, zoals aan het begin van dit artikel aangegeven werd. De begrippen van duurzame ontwikkeling zijn daardoor wel degelijk een belangrijk initiatief, maar de ziekte zelf wordt daar voorlopig niet mee verholpen. De economische problematiek, die geleid heeft tot het stelselmatig vernielen van de natuur, heeft veel drastischere oplossingen nodig, dan alleen een ontwikkelingsvisie.

De houding van de (vooral westerse) mens – waarvan de meeste zelf toerist geweest zijn – aangaande het privee-eigendom dient te veranderen. Door te gaan met het vergaren van rijkdom en eigendom, zou dom zijn – het mensdom heet ernaar. Zolang de mens het eigendom als absoluut blijft zien en daar zijn levensvisie op blijft baseren, zal het moeilijk zijn om enige verandering te bewerkstelligen. De visie, die de mens van zichzelf heeft, moet veranderen en daarmee zijn relatie tot zijn omgeving en het milieu.

Deze website is niet commercieel en genereert geen inkomsten; daarom wordt het op prijs gesteld, wanneer diegenen die de inhoud ervan actief gebruiken (werkzaam in het toerisme, studenten en academici) een vrijwillige donatie maken – klein en symbolisch als die ook mag zijn – door op de DONATE toets te drukken (Paypal systeem) onderaan deze pagina

Alle rechten voorbehouden. De gehele of gedeeltelijke reproductie is verboden zonder de toestemming van Marinus C. Gisolf en zonder bronvermelding

Geef een reactie


6 + = 12