Al lang verkeert het vakantietoerisme in de greep van het economisch denken en sociologisch onderzoek. Op deze website wordt een gebalanceerder inzicht aangehouden: de toeristen zelf en hun ontmoeting met hun vakantiebestemming. De toeristen nemen wat hen aangereikt wordt en gebruiken dit voor hun eigen doeleinden; het zijn deze doeleinden die ons het meest interesseren en meer dan 25 artikelen op deze website gaan daar nu juist over: het toerisme van de toeristen.

Onder het hoofdje "Toerisme" is een nieuw artikel van mij toegevoegd over Klimaatsverandering (Juli 2020).

In februari 2020 heb ik een nieuw artikel toegevoegd in de rubriek "Toerisme" getiteld "Fenomenologie en het Toerisme".

Duurzaamheid en Toerisme

DUURZAAMHEID

Inleiding

De relatie tussen duurzame ontwikkeling en toerisme is het onderwerp, waar deze reeks artikelen over gaat. Daartoe kijken wij eerst naar wat de achtergronden zijn en naar het waarom van duurzaamheid. De duurzaamheids discussie is op gang gekomen omdat er een aantal zaken bezig zijn behoorlijk scheef te lopen: biodiversiteit vermindert, ozon lagen worden aangetast, broeikas effecten beginnen voelbaar te worden, bevolkings groepen worden achtergesteld en er zijn langzamerhand zoveel symptomen, dat het op een ziekte lijkt. Het duurzaamheids principe is in eerste instantie ontwikkeld als antwoord hierop.

Om in te kunnen zien hoe diep het vernielende element is ingeworteld in vooral de westerse maatschappijen en waarom er de noodzaak ontstaan is ons milieu met andere ogen te gaan bekijken, moeten we eerst in vogelvlucht het een en ander in historisch perspectief zetten.

De problematiek

Vanuit een juridisch oogpunt is het interessant te zien hoe de rol van ons milieu met de tijden veranderd is. Het gaat dan om zaken die deel uitmaken van het collectieve onderbewust zijn van een hele maatschappij of van een grote groep mensen, die hetzelfde milieu delen. Hoe men – vanuit een juridisch oogpunt –  het milieu en de natuur bezag is over de eeuwen behoorlijk gewijzigd. Het Romeinse recht onderkent in deze twee belangrijke begrippen: een zaak of een goed kan niemand toebehoren en er zijn zaken of goederen die iedereen toebehoren. Deze begrippen staan bekend in het Latijn als res nullius en res comunis.  De vlinder die zorgeloos voortdwarrelt heeft geen eigenaar; echter op het moment dat zij gevangen wordt, krijgt zij wel een eigenaar en houdt op res nullius te zijn en is een gewoon goed geworden. In het geval van res comunis denken wij aan zaken die ons allen toebehoren, zoals de lucht die we inademen, het zonlicht of de zee. Deze zaken hebben nooit een eenmalige eigenaar.

Hoe meer mensen er op de planeet zijn, hoe sterker de tendens, dat minder zaken tot de categorie res nullius behoren en de goederen die ons allen toebehoren van nog groter belang worden. En het moge duidelijk zijn, dat de natuur in de vorm van flora en fauna van origine tot de res nullius gerekend werd

De mens heeft zich altijd georganiseerd met betrekking tot zijn milieu; sociale of economische structuren zijn van origine erop gericht geweest een plaats te waarborgen in het milieu en in de natuur en het is deze relatie van de mens tot zijn omgeving, die door de geschiedenis heen aan veranderingen onderhevig is geweest.

Vanaf de ontwikkeling van de eerste homo sapiens, concurreerde deze met alle verdere dieren in de natuur voor het vergaren van voedsel. De natuur had geen eigenaar, de mens vormde onderdeel van de natuur en had het begrip ‘eigendom’ nog niet uitgevonden. Toen de mens de landbouw begon te ontwikkelen ontstond er de situatie, waarbij men zich bewust begon te worden dat er zaken in de natuur waren, die wel een hele groep mensen toebehoorden, maar dat de dieren hiervan uitgesloten moesten worden. In juridische termen is het feit van het uitsluiten de basis voor het begrip eigendom.

De negatieve invloeden, die de landbouw en veeteelt hadden kunnen hebben, werden verzacht door het feit, dat de mens (en dan denken we aan 20 of 30 duizend jaar geleden) zich nog onderdeel van de natuur voelde. De magie van het groeien en de band met de aarde stond voorop in het besef van het milieu. Vanaf het moment dat de mens niet meer rondtrok en dorpen begon te vormen – die later steden zouden worden – is de band met de natuur en het milieu geleidelijk veranderd. Een en ander is het gevolg geweest van het Gods begrip en het geloof van de mens als Zijn creatie. De visie van de mens in het centrum van het universum heeft ook geleid tot de ontwikkeling van het privee eigendom. De mens bedacht zich het recht toe om iets te hebben, waarvan verder iedereen uitgesloten is – een ontwikkeling die vooral in de westerse wereld van belang zou blijken te zijn.

Pas veel later in de geschiedenis van de mensheid ontstond er een noodzaak om res nullius tot op zekere hoogte te gaan beschermen, waardoor er de figuur ontstond van het openbaar- of staatsbezit. Dit geldt voor die goederen waarvan een zekere bevolking het recht heeft juist niet uitgesloten te zijn, maar alle andere mensen wel. Zoals we verderop in dit stuk zullen zien, spelen hier ook economische overwegingen: de natuur – nog in vele streken een res nullius en als zodanig zonder economische waarde – eenmaal gevangen, gekapt of geschoten verandert in eigendom met economische waarde.

Vanaf de zeventiende eeuw zijn de concepten van het persoonlijk en openbaar eigendom volop ontwikkeld tot zo’n hoge mate, dat het privee eigendom een absoluut karakter gekregen heeft en bijna onaantastbaar geworden is, waardoor de band met het milieu, de natuur of de maatschappij verbroken werd, als ook de verantwoordelijkheid jegens dat milieu: het recht van eigendom is tegenwoordig zelfs het recht om eigen eigendom te vernietigen. Mocht er in vroegere tijden nog een overeenstemming heersen over hoe een plaatselijk milieu behandeld moest worden, is zelfs die band – en daarmee een enorm stuk sociale solidariteit – verloren gegaan ten gunste van het onaantastbare eigendom, dat iedere inmenging door mensen, milieu of andere noodzakelijke overwegingen voor het behoud van een gemeenschap, buiten sluit. En daarmee komt ook ter sprake, dat eigendom maar gedeeltelijk gezien wordt als een recht voor de toekomst van familieleden. In de westerse maatschappijen bestaat er, gedeeltelijk vanwege hogere rechtszekerheden, levensverzekeringen en hoge belastingen over erfenissen, ook nog eens een tendens, dat de toekomst van de volgende generaties in mindere mate een bron van zorg vormt. Met alle zogenaamde zekerheden komt dat wel goed, denkt men dan. De afnemende religieuze interesse die daar het gevolg van is, het leven in het heden, de modieuze kant ervan, het gevoel van ‘je leeft maar een keer’ en een steeds dominerende rol van “dit is van mij en niemand kan daar aan komen” beginnen te overheersen. Het gevoel van eigendom in de westerse wereld gaat zover, dat niet eens kinderen of kleinkinderen daarin betrokken worden. Eigendom vormt een bijna onlosmakelijk geheel met het ego van de mens en niet alleen de overwegingen over toekomstige generaties spelen een marginale rol, maar ook de solidariteit met de medemens en het milieu is voor een groot stuk verdwenen. De zaken die geen eigenaar hebben bestaan bijna niet meer en zelfs de zaken onder de res comunis staan onder druk, en niet alleen vanwege vervuiling, maar ook door de steeds verder groeiende tendens alles in deze wereld op een of andere manier als ‘eigendom’ te willen kenmerken – hetzij privee of van de staat. Het drinkwater is hier een voorbeeld van.

Economisch gezien betreft in moderne markt gestuurde economiën het begrip rijkdom alleen, wat geldelijke waarde heeft. Goederen of diensten, waarvan de waarde niet in geld uitgedrukt kan worden, worden niet onder het begrip ‘rijkdom’ gerekend. Dit betekent, onder andere, dat de natuur niet tot het begrip rijkdom gerekend wordt, omdat die doorgaans geen (financiële) marktwaarde vertegenwoordigt. De vernieling van de natuur wordt vervolgens niet als een verlies gezien. Integendeel, deze vernieling vormt een belangrijk onderdeel voor de toename van rijkdom – bezien vanuit het oogpunt van markt economiën.

Dit is niet altijd zo geweest. In voorgaande eeuwen waren de kapitaal georiënteerde economiën niet alleen op de waarde der dingen gericht, maar was er ook een inhoudelijke kant vanuit het oogpunt van het kapitaal. Een initiatief vergt een investering en dit moet tot de productie van goederen leiden. De investering begint als zodanig een economisch leven te leiden. Met kapitaal produceert men. Echter is dit inhoudelijke begrip vooral na de tweede wereldoorlog naar de achtergrond gedrongen, terwijl de formele kant – de waarde ergens van wordt door de markt bepaald – nu geheel de overhand heeft. Dit heeft in groeiende mate geleid tot het gebruik van kapitaal om meer geld te verdienen zonder echter productief bezig te zijn. Het speculeren op de beurs is hier een voorbeeld van: een “spel” met geld waarbij de één rijker wordt en de ander armer. De handel in onroerend goed, het verzekeringswezen als ook de handel op de deviezen martk kunnen in deze context worden genoemd. Hoeveel mensen verdienen staat steeds meer centraal en niet hoeveel iemand produceert – fysiek, mentaal of cultureel.

De toenemende druk in markt economiën om kapitaal te reproduceren heeft geleid, onder andere, tot een steeds kortere productie cyclus. Voornamelijk op twee manieren komt dit tot stand: door ervoor te zorgen dat een product een kortere levensduur heeft of door  er een mode element aan te verbinden, waardoor dit product na enige tijd – zijnde ouderwets geworden – zijn markt waarde verliest en vervangen wordt, alhoewel het product in nog uitstekende staat kan verkeren. Simpelweg gezegd, om maar te kunnen blijven produceren op een steeds hoger ritme, daarmee toegevend aan de dwang om steeds sneller winsten te produceren, moet er een steeds groeiende productie zijn. De consequenties hiervan voor de natuur zijn tweeërlei: in toenemende mate worden er  grondstoffen aan de natuur ontrokken en, ten tweede, is er een snel groeiende berg afval die aan de natuur wordt ‘teruggegeven’ door het steeds sneller afdanken van het geproduceerde. Beide effecten leiden tot de vernieling van de natuur, maar dit wordt niet als een economisch verlies gezien, maar eerder als een ingebouwd noodzakelijk onderdeel om meer (geldelijke) rijkdom en ontwikkeling te creeëren.

Het is tot de markt gerichte economiën doorgedrongen, dat de natuur niet vervangen kan worden en dat de reproductie ervan relatief langzaam verloopt. Dit betekent, dat als het kapitaal op langere termijn de eigen reproductie wil veilig stellen, er beschermende maatregelen genoemen moeten worden wat de natuur betreft. Dit heeft tot het toch wat merkwaardig gevolg geleid, dat er in vele markt economiën in de bescherming en ook het ‘repareren’ van vernielde natuur geïnvesteerd wordt, ondanks het feit dat die natuur zelf nog steeds geen marktwaarde wordt toegekend en de vernieling ervan op monetair gebied niet te meten valt. Vanuit markt technisch oogpunt investeert men in de bescherming van iets wat markt technisch niet bestaat.

Het zijn deze markt economische inzichten, die vooral gedurende de laatste 150 jaar een grote vlucht hebben genomen en mede schuldig zijn aan de enorme verwoesting der natuur.

De mensheid leeft op voet van ongelijkheid met de natuur. Gedurende de tweede helft van de twintigse eeuw is het aantal diersoorten verminderd met bijna 30%. Echter, nergens in de wereld staat dit verlies aan biodiversiteit als een economisch verlies genoteerd. Het moge duidelijk zijn, dat gedurende deze periode de limieten van duurzaamheid overschreden zijn en de snelheid, waarmee de natuur zich reproduceert nu ver achter ligt bij het ritme, waarmee het kapitaal zich vernieuwd. Met andere woorden gebruiken we de aarde meer, dan dat zij ons kan geven. Onze aarde heeft zo haar beperkingen wat natuurlijke bronnen betreft, maar ook als ‘ontvanger’ van afval en CO2 uitstoot, onder andere. De grondslagen van de markt economiën sluiten echter de ogen voor het onderhoud van de aarde. Men is dermate geconcentreerd op het produceren van winsten, dat al het andere daaraan onderschikt gemaakt is en er zelfs niet naar onze aarde omgekeken wordt en zeker niet met een blik op de toekomst. De reproductie van kapitaal dient nu te geschieden, en morgen zien we wel weer hoe we dan nog winsten kunnen maken. Met andere woorden wordt op versnelde wijze het leven op aarde opgeofferd om op korte termijn kapitaal te kunnen reproduceren.

Het een en ander heeft geleid tot wat wij de comsumptie maatschappij noemen, waarbij het kopen bijna even belangrijk geworden is als het hebben (in eigendom) en het steeds vaker om goederen gaat, waarvan we ons kunnen afvragen of we ze wel nodig hebben. Het betreft nu een maatschappij, waarbij consumptie een overlevings zaak is geworden, waar de solidariteit binnen die maatschappij aan het verdwijnen is en het ego van de mens en zijn eigendom zo centraal zijn komen te staan, dat men zich slechts met het heden bezig houdt en de toekomst nauwelijks een rol speelt bij gedrags patronen.

Er spelen helaas nog meer factoren een rol, die het panorama er niet mooier op maken. De landbouw sector lijdt onder de druk van te weinig investeringen vanwege de rentabiliteit ervan en ook door het feit dat steeds meer geld gebruikt wordt om alleen maar meer geld te creeëren zonder dat daar enige productie aan te pas komt. Met besteedt geld alleen maar met het doel zo snel mogelijk meer geld te verdienen zonder dat er aan basis zaken, zoals voedsel productie, gedacht wordt. Onder druk van verminderde natuurlijke bronnen zoals olie, komen onder andere de bio-brandstoffen op de voorgrond, maar ook op dat gebied betekent dit een tol, die op de normale voedsel producerende landbouw geheven wordt. Voedsel wordt schaars en duur.

Het concept ‘duurzame ontwikkeling

Maatregelen om milieu en natuur te beschermen en mogelijke verwoesting ervan tegen te gaan zijn dus pas laat in de geschiedenis van de mensheid aan de orde gekomen. De ideeën zelf over de bescherming van de natuur en van het milieu zijn oud, daar tot op zekere hoogte de scheiding van mens en natuur zich langzaam voltrokken heeft; echter als een duidelijke beweging van social karakter moeten we terug naar de negentiende eeuw (industriële revolutie). Gedurende de 1860´s  zijn er een aantal Nationale Parken in de VS opgezet (o.a. Yellowstone) en landen zoals Canada, en Australia volgden snel. In Nederland zijn er ook kentekenen zichtbaar uit die tijd: de Nederlands Vereniging voor Dieren Bescherming is opgericht in 1864. Enigszins later was de oprichting van de bekende Nederlandse Vereniging van Natuurmonumenten in 1905. Op internationaal niveau werd in 1913 de eerste acte getekend van wat de stichting van de Advies Commissie voor Internationale Bescherming van de Natuur zou worden (die nu bekend staat als de World Conservation Union). In die tijd stond de bescherming van specifieke natuurgebieden centraal.

Een geheel nieuwe ontwikkeling kan waargenomen worden aan het einde van de zestiger jaren. De na-oorlogse geboorte golf in Europa, en eind jaren vijftig de veranderende bevolkings structuren in de derde wereld, waarbij de werelbevolking enorm begon te groeien (demografische transitie), vormden de grondslag tot het rapport van de Club van Rome (1972). Naast natuurbescherming en concepten zoals de ecologie, kwamen er twee andere cruciale factoren in beeld: armoede en honger. Een van de basis concepten die ontwikkeld werden, was dat voor een ecologisch gezonde maatschappij een radicale reorganisatie van sociale structuren op wereldniveau vereist was.

Eind jaren tachtig en begin jaren negentig kwam er een ander soort interesse opgang, waarbij op internationaal niveau het Bruntland Rapport (1987) en de Rio de Janeiro Conferentie (1992) mijlpalen vormden. Gedurende deze jaren werden er een aantal basis concepten ontwikkeld over wat duurzaamheid genoemd werd. Interessant is het, dat politiek gezien het idee van duurzaamheid door zowel rechts als links omarmd werd, daar het in overeenstemming brengen van economie en ecologie goed klonk.

Het toerisme heeft in deze drie ontwikkelings fases nauwelijks een rol gespeeld. Begin 20ste eeuw begon het toerisme zich duidelijk te ontwikkelen, maar op het gebied van natuurbescherming had dit weinig invloed. Gedurende de jaren zeventig “ontsprong” het toerisme de dans; het  werd als een gezonde bezigheid gezien – de groene industrie.

Pas eind jaren negentig is het toerisme nauwer betrokken geraakt in de discussie over duurzame ontwikkeling en met name door het debat rond de biodiversiteit is het toerisme in de vuurlijn komen te liggen. In 2001 werden er regels opgesteld voor Biologische Diversiteit en Duurzaam Toerisme (Convention on Biological  Diversity, 2001). De Verenigde Naties verklaarde het 2002 als het jaar van het Eco-Toerisme.

Hier moet overigens wel direct bij vermeld worden, dat de concepten van duurzame toeristische ontwikkeling al veel langer op “lagere” niveau’s van belang waren – met andere woorden hebben vele lokale actie groepen, milieu verenigingen en ‘NGO´s’ over de laatste 15-20 jaar een hele belangrijke inbreng gehad, terwijl juist op internationaal niveau de duurzaamheids discussie wat lijkt te stokken. De Johannesburg Declaratie over Duurzame Ontwikkeling (2002) bracht wel enig licht in de zaak en in 2003 werd het Marrakech Process gestart, wat een tien jaren plan is waarbij een aantal zogenaamde Task Forces zijn opgezet die op specifieke terreinen de milieu problematiek in kaart moeten brengen ter ondersteuning van plaatselijke initiatieven.

Waar in het algemeen overeenstemming over heerst zijn de drie belangrijkste pilaren waar het begrip duurzaamheid op steunt: bevordering van een gezond milieu en beschermde natuur, dan de actieve deelneming van alle betrokken partijen en tenslotte ook het economisch gewin voor alle deelnemers. Het gaat in de eerste plaats om de ontwikkeling van een land, een maatschappij, een streek of een gemeenschap, waarbij de natuurlijke bronnen en grondstoffen op zo’n manier benut worden, dat toekomstige generaties op dezelfde of op betere wijze in de noodzakelijke levensbehoeftes kunnen voorzien als de huidige. Met andere woorden gaat het bij duurzaamheid om een ontwikkelings visie, die duidelijk op de toekomst gericht is. Deze visie betreft het behoud  van milieu en natuur in nauwe samenwerking met de bevolking in de ruimste zin van het woord. Dat betekent, dat er wordt erkend dat een gemeenschap, een plaatselijke bevolking of een ethnisch homogene groep mensen bescherming voor hun behoud nodig heeft. Daarnaast staat het punt, dat men op een ontwikkeling mikt, waarbij alle ‘deelnemers’ ook op economisch gebied er beter vanaf komen. Dat kan betrekking hebben op het inkomen, maar ook op plaatselijke infrastructuren of de toegang tot allerlei soorten (staats-) dienstverlening. Paralel hieraan zijn er via de Verenigde Naties een aantal rechten opgesteld, zoals die op voedsel, drinkwater, onderwijs en vele andere.

Om onze toekomstige generaties op dezelfde of betere wijze in hun levensbehoeftes te laten voorzien, moeten wij nu al de schadelijke acties van ons zelf tot een minimum gaan beperken. De schade die wij nu aan het aanrichten zijn, kan grofweg in twee groepen verdeeld worden. Ten eerste is er de groep van de iets kleinschaliger schadelijke factoren en dan zijn er de factoren op macro niveau. Bij de micro duurzaamsheids problematiek denken wij aan het probleem van teveel mensen op een plek (‘overcrowding’), vernieling van de natuur; vervuiling in het algemeen, overexploitatie, vandalisme en criminaliteit zijn ook voorbeelden van deze groep. Het werk van bescherming van natuurgebieden, het creëren van buffer-zones er omheen en milieu vriendelijke infrastructuren zijn allemaal doorgaans dure zaken om uit te voeren en financiering ervan wordt misschien te vaak nog als een zaak van de overheid gezien, en niet van een duurzame ontwikkeling die ons allen raakt. Andere voorbeelden  zijn de organische teelt van groentes en ook de bodemontwikkeling door de toepassing van een permacultuur techniek en niet door het gebruik van kunstmest.  “Recycling” is ook een voorbeeld van een zeer noodzakelijke praktijk. Vuil, afval, vuilnis en de diverse uitstoten zijn een gigantisch probleem geworden op zowel micro als macro niveau. Deze problematiek draait allereerst om de hoeveelheid ervan, hoeveel schade ermee veroorzaakt wordt en hoe langzaam stoffen afbreken.

Het is duidelijk dat veel acties voor een duurzame toeristische ontwikkeling vaak slechts op lokaal niveau genomen worden; actie groepen concentreren zich op een speciale zaak, terwijl andere schadelijke factoren niet aangepakt worden. Bij duurzame ontwikkeling ontbreekt vaak een duidelijke probleem definiëring en instructies voor oplossingen. Vaak ontbreken de financiële middelen, zijn er heel veel kleine bedrijven en instanties bij betrokken (langzame besluitvorming), zijn er geen  voorschriften of wetten, is er een gebrek aan kennis, aan mankracht en vooral aan informatie.

Een uitgebreide organisatie structuur op micro niveau voor de duurzaamheids problematiek kan zeker een invloed hebben op het duurzaamsheids bewustzijn van een heel land, alhoewel van regeringswege de actie op dit terrein soms beprekt moge zijn. Zo kunnen we zien, dat het ene land verder gevorderd is op het gebied van natuur- en milieubescherming dan het andere. Plaatselijke comite’s, de zogenaamde ‘non-governamental organisations’ en actie groepen vormen vaak een belangrijke lobby voor een duurzame ontwikkeling in een streek.

Naast deze groepen van schadelijke effecten, die wij teweeg brengen, is er ook de zaak van directe negatieve effecten die makkelijk waarneembaar zijn versus de ontwikkelingen, waarvan het niet altijd duidelijk is welke schade berokkend wordt. Als voorbeeld op micro niveau kunnen we de landspeculatie noemen in toeristische zones -  doorgaans gemanipuleerd niet door de lokale bevolking, maar door buitenlanders. Het effect hiervan op een lokale economie van een zone kan desastreus zijn. Toch is dit een probleem gebied, dat als zodanig nauwelijks erkend wordt.

De tweede groep van schadeberokkenende factoren is van een grootschaliger karakter: de aantasting van de ozon-laag, klimatologische veranderingen, het verminderen van ‘s werelds biodiversiteit, armoede, het buitensluiten van bevolkings groepen, het zijn allemaal voorbeelden van schadelijke gevolgen op macro niveau.

De macro problematiek, zoals de luchtverontreiniging van vliegtuigen, is een zaak van internationale samenwerking, terwijl op micro niveau vaak een regering of lokale overheden een heel belangrijke rol kunnen spelen, mits er door de betrokken partijen ook druk daartoe wordt uitgeoefend om actief deel te nemen naar het zoeken van oplossingen.

De Balans

Het moge nu wel duidelijk zijn op basis van bovenstaande beschouwingen, dat er meer nodig is, dan alleen goede intenties en een ontwikkeling, die toekomstige generaties erbij betrekt, om de aantasting van onze planeet tegen te gaan. De redenen, waarom onze planeet al zozeer aangetast is, liggen veel dieper, zoals aan het begin van dit artikel aangegeven werd. De begrippen van duurzame ontwikkeling zijn daardoor wel degelijk een belangrijk initiatief, maar de ziekte zelf wordt daar voorlopig niet mee verholpen.  De economische problematiek, die geleid heeft tot het stelselmatig vernielen van de natuur, heeft veel drastischere oplossingen nodig, dan alleen een ontwikkelingsvisie. De houding van de (vooral westerse) mens – met al zijn eigendommen in zichzelf opgesloten – dient te veranderen. Door te gaan met  het vergaren van rijkdom en eigendom, zou dommer zijn dan het mensdom al is. Geld moet weer gebruikt gaan worden om zaken te produceren en consumptie dient zich te beperken tot wat men nodig heeft; het consumeren moet consuminderen worden en de levensduur van producten zou duurzamer moeten worden.

De solidariteit met omgeving en milieu moet weer te voorschijn komen en daarmee ook de betrokkenheid met de toekomstige generaties. Nieuwe economische modellen gebaseerd op de nul-groei zullen noodzakelijk blijken.

Het moet uit dit betoog ook duidelijk zijn geworden, dat de duurzaamheids principes veel hanteerbaarder zijn op plaatselijk of regionaal niveau, terwijl waar het gaat om het veranderen van macro-economische systemen op zich zelf, er hele andere krachten aan het werk gesteld moeten worden. Om op plaatselijk niveau aan het behoud van onze planeet te gaan werken, kan het onderwijs in het algemeen een hele belangrijke rol gaan spelen als noodzakelijke factor om de huidige en toekomstige generaties bewust te maken van het belang van de solidariteit met de gemeenschap en met het milieu.

De rol van duurzame ontwikkeling moet langzamerhand groter worden, en niet alleen vanwege de broeikas effecten. Hiertoe moet er aan de volgende gebieden gedacht worden:

1.     Er aan werken dat het begrip duurzaamheid in de wereld veel serieuzer genomen wordt – niet alleen op ecologisch gebied.

2.     Er moet veel directere actie ondernomen worden om de invloed van de globaliserende processen om te buigen – d.w.z. de tendens om levensstijlen, culturen, gedrag en zelfs de taal over de hele wereld te homogeniseren. Een toeristisch product, bijvoorbeeld, moet uniek zijn en blijven om toeristen aan te kunnen trekken. In die zin is het globalisatieproces soms een dreiging voor toeristische bestemmingen.

3.     Er moet een groeiende interesse onstaan in de ethische kant van de problematiek en in het algemeen in een sociaal verantwoordelijker bestuur. De toekomst van komende generaties dient meer in dit debat betrokken te worden.

Om op macro-niveau de noodzakelijke veranderingen teweeg te kunnen brengen, kan men aan de ene kant denken aan onafhankelijke wereld organisaties, zoals de Verenigde Naties, terwijl anderen eerder denken, dat juist het globaliserende effect van de huidige tendensen een onderdeel van het kwaad vormt, en denken aan oplossingen op het niveau van landen onder elkaar zonder overkoepelend orgaan. Het tegen gaan van ongeremd gebruik van natuurlijke gronstoffen zoals olie, ijzer of koper om er een paar te noemen vergt veel meer, dan goede intenties. Recycling kan op een veel grootsere schaal aangepakt worden en het moet duidelijk worden dat de benodigde investeringen hiertoe zeer spoedig gedaan moeten worden.

Zolang echter de mens het eigendom als absoluut blijft zien en daar zijn levensvisie op blijft baseren, zal het moeilijk zijn om enige verandering te bewerkstelligen. De visie, die  de mens van zichzelf heeft, moet veranderen en daarmee zijn relatie tot zijn omgeving en het milieu.

Geef een reactie


+ 5 = 14